--> No. 101

Stedenbouw zien in Den Haag

Periode 2010–2011 / Project Stedenbouw zien in Den Haag / Opdrachtgever SfA, Stroom / Locatie Den Haag / Met Francien van Westrenen



Bo­ven­staan­de scène komt uit de do­cu­men­tai­re ‘Pa­rels van de Bin­ck­horst’ (2009) van kun­ste­naar Wilma Ma­rij­nis­sen en Erik Kooy­man over de Haag­se Bin­ck­horst. De do­cu­men­tai­re is veel­zeg­gend en niet al­leen van­we­ge het ge­schetste con­trast. De Bin­ck­horst is een bin­nen­ste­de­lijk be­drij­ven­ter­rein, ont­staan in ja­ren vijf­tig, dat van­ouds drie tak­ken van in­du­strie kent: de au­to-, bouw- en gra­fische in­du­strie. Daar is re­cent ook de cre­a­tie­ve in­du­strie bij­ge­ko­men door de ont­wik­ke­ling van de Ca­bal­le­ro­Fa­briek en Bin­k36. In 2007 maak­te OMA/Flo­ris Al­ke­ma­de het mas­ter­plan Nieuw Bin­ck­horst on­der het mot­to: stoer, on­der­ne­mend, ste­de­lijk, duur­zaam en mon­di­aal. Het ge­bied werd ‘schoon­ge­veegd’ door mid­del van op­ko­pen, uit­plaat­sen en sloop om zo ruim­te te ma­ken voor nieu­we wo­nin­gen, kan­to­ren, in­fra­struc­tuur, een strand en groe­ne re­cre­a­tie­ruim­te.

 

Tijd en ruim­te

Ruim een jaar na de do­cu­men­tai­re is de si­tu­a­tie door de cri­sis com­pleet ver­an­derd. Van de groot­se plan­nen van de wet­hou­der is al­leen de Rot­ter­dam­se Baan nog over. Met de­ze ‘twee­de Utrecht­se Baan’ hoopt hij in de toe­komst dui­zen­den be­zoe­kers, be­wo­ners en werk­ne­mers de stad in te lood­sen en in de slip­stream daar­van ook de ont­wik­ke­ling van de Bin­ck­horst op gang te bren­gen. Maar zo­ver is het nog niet. Voor­lo­pig wordt ge­puz­zeld op hoe de­ze cri­sis het hoofd te bie­den en de stad toch ver­der te ont­wik­ke­len. Van het mas­ter­plan voor de Bin­ck­horst is stil­le­tjes aan af­scheid ge­no­men en or­ga­nische ge­bieds­ont­wik­ke­ling is de nieu­we werk­wij­ze. Wat dat pre­cies is en hoe het werkt, is de ge­meen­te nog aan het ont­dek­ken, net als haar nieu­we rol in de stads­ont­wik­ke­ling. Daar­in staat de ge­meen­te niet al­leen. Heel veel ge­meen­ten, maar ook ste­den­bou­wers, ont­wik­ke­laars, kun­ste­naars en ar­chi­tec­ten bui­gen zich over die vraag. Hoe in­ge­wik­keld ook, de waar­de van dit mo­ment zit in het ont­staan van tijd en ruim­te, twee za­ken waar­aan al­tijd te­kort is in ruim­te­lij­ke pro­ces­sen. Tijd om na te den­ken, om te­rug te ko­men op eer­de­re be­slis­sin­gen en het be­nut­ten van tijd als na­tuur­lijk ge­ge­ven in ge­lei­de­lij­ke stads­ont­wik­ke­ling. Daar­naast ont­staat ruim­te, let­ter­lijk door de leeg­stand en het niet vol­bou­wen van le­ge ka­vels, maar ook men­ta­le ruim­te voor een an­de­re in­vul­ling en stra­te­gie. Kort­om, er is tijd en ruim­te om het vak ste­den­bouw op­nieuw uit te vin­den.

 

 De stad en de straat

De nieu­we ste­den­bouw richt zich op de be­staan­de stad, op her­ge­bruik, op nieu­we al­li­an­ties, op het ni­veau van de straat, op zelf­or­ga­ni­sa­tie, op func­tie­men­ging, op cul­tuur, op tij­de­lijk­heid, op slim­me eco­no­mische sti­mu­li. De­ze ste­den­bouw ver­langt een an­de­re ma­nier van kij­ken, ana­ly­se­ren en han­de­len. Een ma­nier die je al bij men­sen als Ke­vin Lyn­ch, Chris­top­her Alexan­der en Ja­ne Ja­cobs zag, en meer re­cent bij Char­les Land­ry, Iain Bor­den of Ri­chard Sen­net.  De­ze ma­nier van kij­ken waar­deert dat wat er gaan­de is, het be­staan­de, dat wat we wel­licht als van­zelf­spre­kend en niet per­se als bij­zon­der be­schou­wen, en dwingt on­ze blik naar het klein­ste schaal­ni­veau: de straat en de be­wo­ners en ge­brui­kers van de stad. Hoe je dit klei­ne schaal­ni­veau ver­bindt met de gro­te vi­sie op de stad is vol­gens ons de op­ga­ve voor de ste­den­bou­wer an­no nu. Die gro­te vi­sie we­ten ste­den­bou­wers vaak wel te schet­sen. Met bre­de arm­ge­ba­ren, lan­ge lij­nen, po­si­tie­ve groei­cij­fers en ron­ken­de ver­ge­zich­ten wer­ken ze toe naar een tijds­ho­ri­zon die op z’n minst 20 jaar ver­der is. De ste­de­lij­ke prak­tijk van al­le­dag is ech­ter veel weer­bar­sti­ger. Wat er op de kaart van bo­ven­af heel over­zich­te­lijk of lo­gisch uit ziet, kan op straat­ni­veau vol­ko­men an­ders uit­pak­ken. Na­tuur­lijk kan een ste­den­bou­wer het ge­bruik van de stad niet voor­spel­len, maar kij­ken naar het hui­di­ge ge­bruik kan al veel ver­hel­de­ren. Fiet­sen door de stad is daar­voor, net als wan­de­len ove­ri­gens, een he­le goe­de en ple­zie­ri­ge ma­nier.

 

Ver­ou­der­de ste­den­bouw

Sinds de Twee­de We­reld­oor­log was de stads­uit­leg het do­mein van de ste­den­bou­wer. De ste­den­bouw was ge­richt op nieuw­bouw en dic­teer­de waar en hoe men­sen moesten sa­men­le­ven, waar be­drij­ven ge­ves­tigd moesten wor­den, waar ge­re­creëerd kon wor­den. Al­les vol­gens een ide­aal eind­beeld. Het is de­ze vorm van func­ti­o­ne­le ste­den­bouw die je ook te­rug­ziet in de Vinex, bij de Zui­d­as of bij de her­struc­tu­re­ring van de na­oor­logse wij­ken: een aan­pak ge­stuurd door het eeu­wig stre­ven naar groei, ver­be­te­ring en in­te­graal wer­ken van­uit ruim­te­lij­ke en eco­no­mische ka­ders en so­ci­a­le wens­beel­den. De stad is ech­ter ver­an­derd, even­als haar be­wo­ners. Het idee dat je het func­ti­o­ne­ren van de stad kunt voor­schrij­ven door mid­del van ste­den­bouw is ach­ter­haald. Daar­naast draait ste­den­bouw steeds min­der om ‘nieuw­bouw in le­ge ge­bie­den’, en steeds meer om het sleu­te­len aan de be­staan­de stad.  En tot slot, zijn ge­meen­ten door de cri­sis en da­len­de in­kom­sten uit grond­ex­ploi­ta­tie ge­dwon­gen te stop­pen met groot­scha­li­ge ont­wik­ke­lin­gen en la­ten ze het ini­ti­a­tief aan de markt en par­ti­cu­lie­ren. Dit stelt an­de­re ei­sen aan de ste­den­bouw(er). In een wijk waar het vast­goed niet van een par­tij is maar van ‘ie­der­een’, zijn ruim­te­lij­ke ver­an­de­rin­gen duur, vaak niet zo evi­dent en niet al­tijd ge­wenst of op zijn plaats. Op­ga­ven en aan­pas­sin­gen die in de ogen van ont­wer­pers en be­stuur­ders nood­za­ke­lijk zijn, zijn in de ogen van veel be­wo­ners of ge­brui­kers vaak ri­di­cuul. De ver­an­de­rin­gen gaan mee­st­al over een be­paald beeld van toe­kom­stig ge­bruik en maar zel­den over het ei­gen­lij­ke ge­bruik van de plek. Om in de be­staan­de stad ver­an­de­rin­gen tot stand te bren­gen is niet al­leen be­trok­ken­heid van ei­ge­na­ren (be­wo­ners, on­der­ne­mers en ge­brui­kers) no­dig, maar ook een gro­ter be­wust­zijn van de be­staan­de dy­na­miek, kwa­li­tei­ten en ge­schie­de­nis van een plek. Bei­de za­ken ver­gen een (ont­werp)men­ta­li­teit die ge­richt is op het ob­ser­veren, on­tra­fe­len en be­noe­men. Vaak lig­gen ant­woor­den op ont­werp­vra­gen be­slo­ten in de ma­nier waar­op be­wo­ners, ge­brui­kers en on­der­ne­mers nu al, op een vaak spon­ta­ne, niet ge­plan­de ma­nier, in­ter­ve­niëren en zich de stad op die ma­nier ei­gen ma­ken.

 

Ma­king do

De Fran­se fi­lo­soof Mi­chel de Cer­teau be­noemt dit fe­no­meen in zijn boek The Prac­ti­ce of Eve­ry­day Li­fe (1988). Hier­in tra­ceert en iden­ti­fi­ceert hij prak­tij­ken en tac­tie­ken van wat hij fai­re avec, ma­king do of im­pro­vi­se­ren noemt. Con­su­men­ten, tv-kij­kers, wan­de­laars, on­der­ne­mers, koks zijn al­le­maal be­trok­ken in het ma­ni­pu­le­ren en daar­mee het com­po­ne­ren van een soort an­ti­dis­ci­pli­nes. Ze hou­den zich niet aan de re­gels en im­pro­vi­se­ren er op los. Dit soort ac­ti­vi­tei­ten zijn ver­bor­gen, stelt De Cer­teau, en ver­spreid over ge­bie­den die be­heer­st wor­den door pro­duc­tie­sys­te­men die geen ruim­te la­ten voor con­su­men­ten of ge­brui­kers om te im­pro­vi­se­ren. Des­on­danks zijn er on­tel­ba­re ma­nie­ren om aan ma­king do te doen. En dat komt goed uit, want de stad stopt voor­lo­pig met (gro­te) plan­nen. Zij biedt nog ‘slechts’ vi­sies en stra­te­gische ka­ders en laat de in­vul­ling aan de markt en par­ti­cu­lie­ren over. Zo­als ge­zegd vergt het an­de­re in­stru­men­ten om hier­aan ruim­te te bie­den. Maar het ver­langt ook nog iets an­ders, iets wat je ge­loof in de stad zou kun­nen noe­men. Ge­loof, dat een ge­voel van me­de­ver­ant­woor­de­lijk­heid creëert en het ge­voel dat de stad ook van jou is. Om ge­voel te krij­gen voor die di­men­sie zou je de stad kun­nen zien als fa­mi­lie­be­drijf.

 

Ba­si­li­cum tus­sen pal­lets

En daar­voor gaan we te­rug naar de Bin­ck­horst, een van de ge­bie­den waar de nieu­we ste­den­bouw in de toe­komst ont­wik­keld en ge­toetst zal moe­ten wor­den. In plaats van op een hoog ge­bouw, staan we met bei­de be­nen op de grond en wan­de­len naar bin­nen bij Pa­pier­wa­ren­fa­briek Je­ro aan de Ko­meet­weg. Het be­drijf van de fa­mi­lie Bru­ti-Vi­a­nen is sinds be­gin ja­ren vijf­tig ge­ves­tigd in de Bin­ck­horst en het in­te­ri­eur is sinds die tijd niet veel ver­an­derd. De stans­ma­chi­nes, de ba­ke­lie­ten te­le­foon, het keu­ken­tje met het ene kook­plaat­je, de fo­to's aan de muur, het ont­bre­ken van een com­pu­ter, de kar­ton­ne­tjes waar­op de be­stel­lin­gen ge­schre­ven wor­den, al­les ademt een lang ver­vlo­gen tijd. In de nog volop draai­en­de fa­briek wor­den pa­pier­wa­ren ge­maakt uit ge­re­cy­cled kar­ton: de pa­pie­ren bord­jes voor on­der kro­ket­ten, on­der het fa­meu­ze ha­zel­noot­schuim­ge­bak van Mai­son Kel­der (dat ook in de Bin­ck­horst ge­bak­ken wordt), on­der piz­za's en brood­jes. Wil de op­dracht­ge­ver een rand­je ex­tra, doen ze dat. Goud­kar­ton?, geen pro­bleem. Dat Je­ro al die tijd is ge­ble­ven wat het was, heeft niets te ma­ken met be­houd­zucht of angst voor ver­an­de­ring, maar al­les met lief­de voor en ge­loof in het be­drijf en het pro­duct. Dat is waar ze zich zor­gen over ma­ken, niet of het kan­toor wel ‘sta­te of the art’ is. De zorg voor de me­de­wer­kers, de sfeer van sa­men­wer­ken, el­ke mid­dag war­me lunch, ba­si­li­cum­plan­ten tus­sen de pal­lets met kar­ton, glaas­je wijn aan het ein­de van de dag, het zijn din­gen die ma­ken dat men­sen graag bij Je­ro wil­len blij­ven wer­ken en be­stel­len. Het eni­ge wat in de loop der ja­ren is ver­an­derd, zijn klei­ne aan­pas­sin­gen aan ma­chi­nes, waar­door ze net iets mak­ke­lij­ker te be­die­nen zijn, iets an­ders sta­pe­len of lo­pen. Het zijn ty­pische voor­beel­den van ma­king do: al im­pro­vi­se­rend en re­a­ge­rend op de re­a­li­teit van al­le­dag pas je de wer­ke­lijk­heid aan aan ei­gen ge­bruik en wen­sen. Vol­ko­men on­of­fi­ci­eel, il­le­gaal mis­schien, maar ef­fi­ciënt en au­then­tiek. Naast het ge­loof in het be­drijf is er ook het ge­loof in de Bin­ck­horst. Je­ro was bij­voor­beeld ook één van de mo­to­ren ach­ter de al­ter­na­tie­ve vi­sie op de Bin­ck­horst (ge­maakt door E19 ar­chi­tec­ten in 2009) om de ge­meen­te te to­nen dat het wel de­ge­lijk mo­ge­lijk is om op ba­sis van wat er nu is ver­der te bou­wen. De ge­meen­te kan het zich in­mid­dels niet meer ver­oor­lo­ven over de hoof­den van de be­drij­ven heen te kij­ken naar de toe­komst. Ze zijn hard no­dig bij de ont­wik­ke­ling van het ge­bied, maar ook om te la­ten zien wat be­trok­ken­heid ei­gen­lijk be­te­kent. Al­leen daar­om al zou een be­zoek aan Je­ro – na­tuur­lijk met de fiets van­uit het cen­trum - ver­plicht moe­ten zijn voor el­ke ste­den­bou­wer. Om te er­va­ren wat lief­de en aan­dacht voor een vak, be­drijf, werk­ne­mers kun­nen be­te­ke­nen.

 

 Lief­de

‘Zon­der lief­de gaat al­les dood’, al­dus Ja­ne Ja­cobs. En naast lief­de zijn ook zelf­or­ga­ni­sa­tie en ei­gen ini­ti­a­tief be­lang­rij­ke ele­men­ten in het so­ci­a­le weef­sel van de stad en on­mis­ba­re sti­mu­li van ste­de­lij­ke dy­na­miek en di­ver­si­teit.  Als je goed kijkt naar de stad, kun je de aan-of af­we­zig­heid van lief­de zien en voe­len. Op plek­ken waar lief­de ont­breekt, ont­breekt door­gaans een men­se­lij­ke maat en treedt on­her­roe­pe­lijk een ver­ar­ming van de pu­blie­ke ruim­te op, zo­als op het Ja­cob van Cam­pen­plein en de di­rec­te om­ge­ving er­van of het Spuip­lein en de Turf­markt. Het zijn ty­pisch plek­ken waar­voor het als be­wo­ner of ge­brui­ker las­tig is om je me­de­ver­ant­woor­de­lijk te voe­len. Het con­trast met lief­de­vol­le plek­ken is groot. Bij­voor­beeld het tij­de­lij­ke surf­dorp in Sche­ve­nin­gen, waar o.m. in con­tai­ners en port­aca­bins een res­tau­rant, slaap- en werk­plek­ken, shops, een bun­ker­mu­se­um en het kun­ste­naars­ini­ti­a­tief Bad­gast een plek heb­ben ge­von­den. Een ini­ti­a­tief van een eve­ne­men­ten­or­ga­ni­sa­tor op een plek waar al ja­ren niets ge­beurt en waar in de toe­komst van al­les ge­pland is. Die toe­komst is voor­lo­pig nog ver weg en dus mag het suc­ces­vol­le surf­dorp, dat lo­ka­le, na­ti­o­na­le en in­ter­na­ti­o­na­le be­zoe­kers trekt, lan­ger blij­ven. Of de on­der­ne­mers die zich in de School­straat ves­tig­den op een mo­ment dat de ge­meen­te daar niet wil­de in­ves­te­ren, of aan het Huy­gen­s­park een ga­le­rie an­nex win­kel zijn be­gon­nen, om­dat ze ge­loven in de plek. En dan is de se­mi-open­ba­re ste­nen bin­nen­tuin in het Pan­der­com­plex on­langs door be­wo­ners om­ge­ploegd tot bloei­en­de moes­tuin. Het is het re­sul­taat van ja­ren­lang trek­ken en du­wen door de ini­ti­a­tief­neem­ster, kun­ste­naar en be­wo­ner An­ne­chien Mei­er, die op al­le mo­ge­lij­ke ma­nie­ren door be­staan­de re­gel­ge­ving ge­dwars­boomd werd. Voor al de­ze voor­beel­den geldt dat het ini­ti­a­tief is ge­no­men door be­wo­ners en on­der­ne­mers zelf, die het ver­vol­gens ook zelf ont­wik­keld heb­ben. Ei­gen­lijk hoef­de er geen ge­meen­te­lijk be­leid aan te pas te ko­men, be­hal­ve wel­wil­len­de amb­te­lij­ke me­de­wer­king.  

 

Pre­ci­sie en fo­cus

Dan rijst de vraag wat de rol van de ste­den­bouw en de ont­wer­pers  nog  is en kan zijn. Een ant­woord op die vraag is wel­licht te vin­den in de vi­sie van De Nijl Ar­chi­tec­ten voor Cam­pus Te­niers­plant­soen in de Haag­se Schil­ders­wijk. De Nijl pre­sen­teert de vi­sie als voor­beeld van ‘na­tuur­lij­ke wijk­ver­nieu­wing’, ver­nieu­wing ge­richt op on­der meer voor­zie­nin­gen, open­ba­re ruim­te, ver­bin­din­gen en ge­rich­te in­ter­ven­ties. Cam­pus Te­niers­plant­soen legt een ver­bin­ding tus­sen pro­gram­ma’s en ruim­te via de pu­blie­ke ruim­te, waar men­sen el­kaar ont­moe­ten en waar het pu­blie­ke le­ven zich kan af­spe­len. Maat­schap­pe­lij­ke or­ga­ni­sa­ties in de di­rec­te om­ge­ving wor­den nauw be­trok­ken met als doel de jeugd van de Schil­ders­wijk een toe­komst­per­spec­tief te bie­den. De­ze ma­nier van wer­ken vraagt pre­ci­sie in het in kaart bren­gen van net­wer­ken, pro­gram­ma’s  en ruim­te, om ver­vol­gens de sa­men­hang hier­tus­sen en het beeld er­van vorm te ge­ven. Dat pro­ces hoeft niet in een keer, maar kan als groei­stra­te­gie vorm­ge­ge­ven wor­den: klei­ne en gro­te ingre­pen en pro­jec­ten die el­kaar ver­ster­ken vol­gen el­kaar op. De eni­ge ve­r­eis­te is, al­dus De Nijl, dat de fo­cus hel­der is. Om de hoek ligt de moes­tuin van het Pan­der­com­plex zo lij­ken de klei­ne ini­ti­a­tie­ven uit de prak­tijk en het hier en nu een voor­bo­de te zijn van ge­wenste ont­wik­ke­lin­gen op lan­ge­re ter­mijn.  Juist die wis­sel­wer­king ver­sterkt de be­te­ke­nis van een en­kel ‘par­ti­cu­lier’ pro­ject voor de stad als ge­heel. Oog voor wat er speelt, ge­kop­peld aan het ge­meen­schap­pe­lij­ke gro­te­re be­lang: daar kan de stad haar voor­deel mee doen.

 

Wis­sel­wer­king

Nu de ou­de ste­den­bouw niet weer werkt, krijgt de keu­ze voor or­ga­nische ste­den­bouw ook iets heel prag­ma­tisch. Er zijn ook men­sen die den­ken dat de­ze si­tu­a­tie tij­de­lijk is en dat het over een paar jaar weer back to nor­mal is. Voor die­ge­nen die ge­loven in een an­de­re ste­den­bouw, een ste­den­bouw met meer tijd en aan­dacht voor wat zich in de stad ont­wik­kelt, ont­staat nu de kans om te la­ten zien hoe het kan, met wie, wel­ke rol het vraagt van de ste­den­bou­wer en ar­chi­tect en wat het op de lan­ge ter­mijn op­le­vert voor de stad. De be­lang­rijk­ste stap die nu ge­zet moet wor­den is het op gang bren­gen van een goe­de wis­sel­wer­king tus­sen het al­le­daag­se, tac­tische ni­veau van ge­bruik en ma­king do en het pro­ces­ma­ti­ge, stra­te­gische ni­veau van ont­werp, be­stuur en po­li­tiek. Die stap kan niet the­o­re­tisch, maar al­leen in de prak­tijk van al­le­dag ge­maakt wor­den. Daar­bij kan het zien van ste­den­bouw hel­pen.

 

+ Related Projects